Uitvalbasis Tiefencastel

TiefencastelIn het vorige clubblad heb ik al aangekondigd nog iets te schrijven over het eerste gedeelte van mijn vakantie; de Zwitserse Alpen. Al deze ritten, 5 keer met de fiets en één keer eerst een stukje met de auto, hadden als startpunt Tiefencastel. Het dorpje Tiefencastel ligt in Oost-Zwitserland aan de weg van Thusis naar Davos. Het dorp ligt heel strategisch; er liggen in principe 7 passen op fietsafstand van Tiefencastel. Voor fietsers dus zeer gunstig. De ligging is zelfs zo strategisch, dat je alleen klimmend met de fiets het dorp uit kunt. Zelfs richting Thusis, het dal in, moet je eerst 1650 m (108 m hoogteverschil) klimmen voordat het omlaag gaat. Maar goed, nu een kort overzicht van de mooiste beklimmingen vanuit dit dorp.

Flüelapass (2383 m)
De hoogste pas in de buurt is de Flüelapass. Na een vlakke aanloop van 250 m, draai ik net buiten Tiefencastel de weg richting Davos op. Deze begint direct te klimmen. Dit opwarmertje is slechts 1,3 km lang. Dan gaat het kort naar beneden. Richting Suvara gaat het rustig omhoog. De helling is hier gemiddeld zo'n 5 %. Er is op deze vrijdagochtend bijna niemand op weg. Ik toer rustig door en passeer eerst de afslag richting Albulapas en dan het weggetje richting Lenzerheide. De gehele weg rij ik tussen de weilanden door en kijk rechts uit op het dal van de Albula en de Landwasser. Maar de omgeving is duidelijk, dit zal niet zo blijven. Ik kom steeds verder boven het riviertje,.terwijl de weg naar Davos toch duidelijk de rivier volgt. Na 14 km wordt het dorp Wiessen bereikt. Gedurende 2,5 km kunnen de benen gedwongen rusten, het gaat 160 m omlaag.

Nu rij ik een 2,7 km lange tunnel in. Gelukkig is deze goed verlicht en is er nog steeds amper verkeer op weg. Toch zijn tunnels van deze lengte niet bepaald mijn favoriete fietsetappes. Achter de tunnel zit ik direct in een heel andere omgeving. Het riviertje stroomt weer direct naast de weg, er staan bomen op de berghelling en er ligt een spoorlijntje. Alle uitzicht is verdwenen, de berghellingen is het enige dat rest. Met een snelheid van 15 tot 23 km/uur gaat het de helling van minder dan 5 % omhoog. Even voor Davos verandert de omgeving weer. De berghellingen vlakken af en het dal wordt breder. Tussen de weilanden door wordt na 32 km fietsen Davos bereikt. Na een korte rust rij ik onder een grijs wolkendek, met hier en daar iets blauws, het Flüeladal in. Van hier af is het nog ongeveer 13 km klimmen tot op de pas.

Deze 13 km wordt in anderhalf uur afgelegd. Niet erg snel zul je misschien zeggen, maar het hoogteverschil is wel 800 m. Het eerste gedeelte is de stijging 5 tot 7 %, daarna 8 tot 10 % met uitschieters richting 15 %. Bovendien is dit de eerste dag in de bergen, alles is weer even wennen. Het is middag als ik boven aankom. Ik eet een paar boterhammen, maak een fotootje en film even. Dan ga ik even heerlijk op de rug in het zonnetje liggen.
Fluelapas
De terugweg gaat een stuk sneller. Ik duik omlaag richting Davos, maak even een uitstapje naar Wolfgang en toer dan omlaag richting Tiefencastel. Voor de tunnel verlaat ik de doorgaande weg. Naast het riviertje blijkt ook nog een oude bergweg te liggen. Aangezien het wegdek uit gravel bestaat, ligt het tempo nu niet al te hoog. Over een smal weggetje met kleine tunneltjes rij ik verder. Hier geen borden die waarschuwen voor verkeer of steile hellingen, maar vriendelijke verzoeken om niet te rusten. Er is gevaar voor vallend gesteente. Door een fantastische omgeving toer ik verder. Geen verstoring van de rust door auto's, alleen vogels en het stromen van de rivier. Ook de spoorlijn blijft leeg. Dan wordt de omgeving weidser. Het riviertje stroomt ondertussen al weer tientallen meters lager dan de weg. Bij een diepe kloof met de prachtige naam Bärentritt bereik ik de doorgaande weg ter hoogte van de tunnel in-/uitgang. Dit weggetje van bijna 4 km is een absolute aanrader voor een ieder die daar fietsend of wandelend langs komt.

Nu even 2,5 km klimmen naar Wiesen en dan gaat het omlaag naar Tiefencastel. Op en neer zou 92 km zijn geweest, maar door de uitstapjes kom ik op 100 km.

Albulapass (2312 m)
De weersvoorspelling van de tweede dag zijn niet al te denderend. Vandaar de klim naar de dichtstbijzijnde pas; de Albulapas. De eerste 4,5 km van deze beklimming zijn gelijk aan die van de Flüela. Dan gaat het rechtsaf het dal in. Pas voorbij Filisur, ik ben dan al 12 km onderweg, begint het echt te stijgen. Voor Bravuogn, of Bergün op z'n Duits, klimt de weg door een smal dal, langs de bergwand omhoog. Het hellingspercentage is hier 2 km lang continu 9 %. Rond Bravuogn gaat het langzaam omhoog. Het dal is hier breder en een klein zijdal voegt zich bij het Albuladal.

Al de hele tijd loopt er in buurt van de weg ook een spoorlijntje. Voor Bravuogn was deze een tijdje niet zichtbaar, omdat het door een tunnel ging. Nu is het weer genieten van het lijntje. In de etappe tot het gehucht Preda is het continu zoeken naar het spoorlijntje. Dit is dan ook één van de bijzonderheden van deze klim. Dan weer loopt hij rechts, dan plotseling weer links. Op sommige plaatsen zie je hem direct naast de weg, over een hoog viaduct én tegen de rotswand aan de overzijde van het dal. De weg kan de nauwe doorgang overwinnen door middel van haarspelden. Een spoorlijn heeft ruimere bochten nodig, daarom worden er bochten (kurkentrekkers) door de berg gedraaid. Bij Preda verdwijnt de spoorlijn voorgoed de berg in. Hij zal pas in Val Bever, niet ver van het Inndal, naar buiten komen.

Profiel AlbulapasDan draai ik het bos uit en klim langs een helling omhoog. Verderop zie ik de weg langs de bergwand klimmen. Het klimmen gaat niet zo snel meer; met 8 km/uur rij ik de helling van 8% omhoog. Gelukkig staan er borden langs de weg van de Albulatrofee. Deze geven de te rijden afstand en te klimmen hoogte tot de pas.

Langzaam gaat het verder omhoog. Beneden kijk ik op het weiland, rechts tegen de bergwand. Dan lijk ik boven te komen, maar het lijkt alleen zo. Links en rechts alleen rotsblokken, verder weg gruis. Toch wordt de top bereikt. Hier staat een verschrikkelijke wind. Ik maak een paar foto's, film wat en eet uiteraard nog wat. Dan snel omlaag, want er drijven steeds meer en steeds donkere wolken. Soms heb ik het gevoel dat ik een druppel voel. Als ik Filisur uit draai begint het iets te regenen. Het is dan nog 10 km rijden. Snel verder. Bij de golfbaan, nog 7 km te gaan, begint het echt te regenen. Ik maak zoveel mogelijk vaart. Nat en een beetje koud kom ik om 13:39 al in Tiefencastel aan. Het is nu bijna droog, maar door het dal drijven dikke grijze wolken. Op en neer de pas was het slechts 61 km rijden. Maar toch was het totale hoogteverschil 1520 m.

Passo dal Güglia (2284 m)
OK, ik moet toegeven, op de pas zal slechts de Duitstalige naam Julierpas staan, maar deze Italiaanse versie klinkt net iets meer. Vandaag heb ik een lange aanloop naar de klim. Nou ja lang, 250 m tot de rotonde en dan 200 m tot net over de brug over de Albula. Volgens het hoogteprofiel dat ik heb, zou het 2 km lang 10,9 % omhoog gaan en dan al afvlakken naar 2,6 %. Het eerste stuk is een kilometer langer en 'slechts' 9 %. Achter de tunnel Crap Ses gaat het nog even fors omhoog, dan heb ik het brede Gelgiadal bereikt. Het dal rond Cunter en Savognin is breed. Aan de overkant liggen overal dorpjes op de groene berghelling. Zeven kilometer lang gaat het golvend door het dal. Na Tinizong wordt het dal smaller en klim ik een 'stapje hoger', 2 km is ineens goed voor 150 m.

Profiel JulierpasAchter Rona is het weer ongeveer 4 km vrijwel vlak. OK, het loopt vals plat omhoog, 40 m in 4 km. Dan gaat het weer een stapje hoger; dit keer 230 m in ruim 3 km. Eerst wordt het dal smal en komt er een natuurlijke klim, daarna moet ik een stuwdam omhoog. Langs het stuwmeer, Lai da Marmorera, loopt het nog steeds licht op. Vlak voor het einde van het meer gaat het even omlaag. Dan begint het laatste deel van de klim. Persoonlijk vond ik dit een rot stuk om te klimmen. Afwisselend gaat het stevig omhoog (tot 10 %) dan weer is het bijna vlak. Niet één keer, maar een keer of zeven.

Ook op het laatste deel stop ik nog even om een banaantje te eten. Het is geen gunstige plek, maar het moet even. Op de terugweg zie dat het net weer op zo'n stuk van 10 % was. Wanneer ik net mijn draai weer te pakken heb, probeert een busje met caravan mij op een steil deel inhalen. Puffend en steunend komt het busje tot stilstand. Daar achter zit eerst een bus en later een auto te toeteren. Maar de bus staat en komt niet meer vooruit. Mij overgaat het beter, niet al te snel, maar gestaag klim ik naar de top. Volgens mijn hoogteprofiel zou de klim van bijna 39 km eindigen met ruim 1 km 9,6 %, maar dat blijkt niet te kloppen. Op een steil stukje zie ik een cafeetje op een bocht staan. Daar herinner ik me niets van, vorig jaar stond er niet meer dan een veredelde keet op de top. Het Hospies Julier blijkt op 2215 m te liggen. Het is nu nog een kort stukje niet al te steil klimmen tot ik het bekende houten gebouwtje van de pas zie liggen. Weer een klim gehaald. Totaal was het ruim 1400 m klimmen over 36 km. Op zich niet zo veel. Maar wanneer ik klim, dan klim ik graag door. Voor mij maken alle tempowisselingen deze klim extra zwaar.

Omdat er toch donkere wolken drijven, blijf ik niet al te lang. Het gaat nu en mooie brede weg omlaag. Het gaat lekker. Alleen dat rot klimmetje dat ik daar bij het stuwmeer weer op moet. Maar goed, ook dat lukt. Met een lekker vaartje rij ik omlaag tot Cunter. Hier stop ik om iets te eten. Bovendien wil ik even de kaart bestuderen om te kijken of ik ook via een alternatieve route omlaag kan. De mogelijkheid is er in principe wel, maar over de kwaliteit van de weg tussen Salouf en Mon ben ik niet zeker. Er zou een gedeelte bergweg tussen kunnen zitten. Wanneer er ook nog een paar dikke druppels vallen, ruw geschat liggen ze 30 tot 40 cm uit elkaar, is het duidelijk. Ik heb die mooie afdaling naar Tiefencastel wel verdiend.

San Bernardinopas (2065 m)
De laatste pas die ik hier beschrijf is de San Bernardinopas of de Passo del San Bernardino. Volgens een Duitse hotelgast zou het bijna 60 km zijn vanuit Tiefencastel tot de top. Aangezien ik niet weet wat me op de klim te wachten staat, besluit ik de auto te nemen tot bij Thusis en van daaruit te fietsen. Ik zit om 8:38 al op de fiets en rij Thusis in. Hier volg ik de bordjes fietsroute 6 richting San Bernadino. Het gaat bijna direct omhoog de Via Mala in. Deze kloof is tot 600 m diep en plaatselijk heel smal. De eerste tunnel gaat prima, de tweede is ook niets mis mee. De derde is echter drijfnat. Krijg je de schoenen en het achterwerk nat ín een tunnel. De rit door de kloof is schitterend. Hoge wanden en diepe geulen. Het water van de Hinterrhein stroomt ver onder mij. Op een gegeven ogenblik kruis ik het dal. Boven mij kruist de nieuwe autoweg, bovendien ligt er naast de weg uit 1935 ook nog een veel oudere weg. Verder staan er een tweetal huisjes, of moet ze bunkers noemen. Waarschijnlijk uit de tijd dat er verdediging nodig was. Op deze plek is het dal doodsimpel af te sluiten: de rotswanden gaan loodrecht omhoog en het bruggetje is misschien 30 m lang.

San BernardinopasIk klim langzaam verder. Dan komt er een lichte afdaling en wordt het dal breder. Ik passeer de dorpjes Zillis en Andeen, tegen de berghelling liggen nog verschillende andere dorpjes. Achter Barenburg wordt het dal weer smaller ik rij ik de Roffia Schlucht in. Hier wordt aan de weg gewerkt en hobbel ik een stuk door het gravel. Behalve de natuurlijke helling, moet ik hier ook een stuwdam omhoog. Ik toer rustig langs het meertje en bereik Splügen. Hier gaat aan de overkant de weg naar de Splügenpass omhoog. Ik volg echter de weg door het dal richting Hinterrhein.

In Hinterrhein stuiter en hobbel ik over de klinkertjes door het dorp. Buiten het dorp loopt het 'vlakke' dal van de Hinterrhein rechtdoor. Dit is echter militairterrein. Volgens mij wordt hier regelmatig met zwaar geschut geschoten. Zo niet, dan hoor ik explosies. De grote weg, die ik al vanaf Thusis dan links, dan weer rechts, boven of onder, zag lopen, gaat hier de 7,5 km lange San Bernardinotunnel in. De oude weg draait naar links en er komen een groot aantal haarspelden omhoog. Na 46 km fietsen bereik ik de pas. Even wordt er een foto van mij gemaakt. Het was niet nodig maar de man wilde zo graag. Uiteraard wordt er gefilmd. Dan rij ik door tot het punt waar de weg de berg af gaat. Hier hou ik mijn lunchpauze. Dan draai ik de fiets, maakt even een kort gesprek met een paar Nederlanders met een camper, en rij terug. Ik duik rustig het dal in. Rustig, want ik wil natuurlijk geen bocht missen. De rit terug is niet altijd even gemakkelijk; ik heb een forse tegenwind. Om half twee ben ik terug in Splügen. Zou ik nu de Splügenpas nog op rijden, dan wordt het veel te laat. Die pas, met 655 m hoogteverschil op bijna 9 km, zou in totaal, dus klim, rust, foto's, video en afdaling, bijna twee uur kosten. Dat wordt veel te laat. Trouwens, ik ben op vakantie en 1 pas per dag is wel genoeg.

Wanneer ik in de Roffla Schlucht nog even weer sta te filmen, zie ik ineens een 'fietsenspeciaalzaak uit Arnhem' langs komen. Ik draai me om en wens de jongeman een goede middag. Hij stopt zijn ATB en we hebben een kort gesprek. Hij rijdt geen passen, maar is onderweg voor een lange tocht. Dan rijden we verder.

In de omgeving van Zillis hou ik mijn laatste stop in een weiland. Op het ogenblik dat ik daar weg rij, vallen er warempel een paar regendruppels. Er drijft een klein wolkje over die nog iets laat vallen. Bij de Via Mala blijkt de natte tunnel van vanochtend grotendeels opgedroogd. Nu zijn ze echter een tunnel verder de tunnelwand aan het wassen. Nu wordt daar dus nat van het spatwater.

Overige klimmen
De laatste twee tochten die ik hier gereden heb, waren de beklimming van de Glaspass en een ronde over Lenzerheide. Beide waren mooie fietstochten, maar niet zodanig dat ik daar nog extra over ga uitweiden. Dit moet maar genoeg zijn. Anders wordt het verhaal weer zo lang.

Henk Luggenhorst

Copyright, Holten, 2001