Vallée de l'Ubaye en Vogezen; fietsvakantie 2018

Dit jaar gaat de vakantie weer naar twee locaties; het begint in Barcelonnette in de Vallée de l'Ubaye en eindig in Gerardmer in de Vogezen. Het bijzondere aan de vakantie is dat er geen racefiets mee gaat. Dat is voor het eerst sinds 1986. Elk jaar moest de racefiets weer omgebouwd worden tot vakantiefiets. Dit voorjaar heb ik een trekking fiets aangeschaft. Ik heb nu een fiets met een vaste bagagedrager, verlichting via een naafdynamo en schijfremmen. Ook de houder voor de stuurtas met camera kan nu permanent blijven zitten. Grootste voordeel: de fiets heeft een veel lichter verzet dan de racefiets. Daarmee moet het klimmen makkelijker worden.

Col de Larche
De eerste rit van dit jaar gaat over de Col de Larche. Het begint lekker; een zonnetje, maar niet te warm. Bovendien een licht windje tegen als ik naar Jausiers fiets. Het is nergens te steil. Het schiet best op. Vanaf Jausiers, de voet van de Bonette, komt een stukje bekende weg. Nou ja, bekend. Ik ben er ook met de 100 Cols over gekomen. Voorbij Fort de Tournoux volg ik de grote weg richting Italië. Ik heb er dan al ruim 15 km op zitten. Hier begint de echte klim naar de Larche. In een rustig tempo gaat het verder omhoog. De temperatuur valt mee. Het licht verfrissende windje van boven maakt dat het niet te warm is. De km’s kruipen voorbij, maar nergens krijg ik het moeilijk.

Col de Larche; vanuit Frankrijk (1991 m).

Col de Larche; vanuit Frankrijk (1991 m).
De col wordt redelijk op tijd bereikt. Na een foto van het bordje gaat het omlaag. Met alleen de windstopper over het shirtje met korte mouw gaat het omlaag. Ik begin nu toch last te krijgen van de tegenwind. Het blaast best. Waar de klim nog redelijk recht was, zijn er nu ook bochten. In totaal 19, als ik het goed heb. Dat kan in de klim straks wel eens gunstig zijn; dan komt de wind nog eens een keer van een andere kant. Even voor 12 uur stop ik op een bruggetje in Pianche. Dit is het keerpunt. Van hier rij ik de zelfde weg terug.

Na een paar km klimmen ga ik in een weiland zitten. Na een goede lunch gaat het verder. Alleen het gaat niet zo makkelijk meer. Wat eerst aanvoelde als een verfrissend windje, is nu een warme, niet koelende luchtstroom van achteren. Ik begin dus langzaam last te krijgen van de hitte. Ik kom wel door dorpjes, of gehuchten, maar ik zie nergens water. Door buffelen dus. In de tunnel wordt ik ingehaald door een Italiaan. Hij gaat niet veel harder. Achter de tunnel stopt hij. Ik stop ook om een foto te maken en om te filmen. Hij vraagt me ook nog een foto van hem te maken.

De eerste paar haarspelden geven kort verkoeling. Maar niet veel. De Italiaan komt voorbij en staat dan weer langs de weg. Hij heeft ook last van de hitte. Na de volgende serie bochten zie ik eindelijk een bron om me op te frissen. De Italiaan staat 200 m lager. Net voor ik verder wil komt hij voorbij en stopt iets verder weer. Nu komt een lang warm stuk gevolgd door een hele serie bochten. Door de wisselende richting is er soms iets verkoeling. Maar het blijft warm. Ondanks dat ik een paar keer stop om te filmen, blijf ik de Italiaan voor. Ook hij staat regelmatig, maar dan om uit te hijgen.

Ruïnes langs de haarspelden.
Ruïnes langs de haarspelden.
Nu het laatste stukje nog. Naast de weg probeert een marmot me voor te blijven. Dat kost hem veel moeite, dus hij duikt een duiker in. Het laatste stukje hoor ik iets vreemds. Het duurt even voordat ik door heb wat het is; het zijn dikke druppels die in het droge gras vallen. Het is alleen zo weinig, dat het niet verfrist.

De top is weer bereikt. Nu is het tijd om uitgebreid te eten. Ik begin aan de derde bidon water. Het eerste deel van de afdaling gaat lekker. Alleen is het alles behalve fris. In de tweede helft van de afdaling, na het dorpje Larche, gaat het mis; de wind draait. Tot de afslag richting Vars wil het nog; de helling is voldoende om op gang te blijven. Maar dan wordt het niet veel meer dan vals plat omlaag en moet in de hitte flink getrapt worden. Het is afzien dat laatste stuk terug.

Richting Parpaillon
Vandaag ga ik voor de Col de Parpaillon, of de Cabana de Parpaillon, of de Chapelle de St Anne. Net hoe het gaat. Eerst moet de hybride fietsklaar gemaakt worden. Dus de tassen er op en banden op spanning brengen. Alleen de teller doet het uiteindelijk niet. Maar goed, ik heb ook de GPS nog. Hoef ik in ieder geval geen km-correcties uit te voeren voor de hybride. Thuis wel nakijken waarom de teller het niet doet.

Ik begin met de zelfde route als gisteren; via Jausiers naar La Condamine. Waar het gisteren rustig op de weg was met de fietsers, is het nu één en al fietsers wat ik tegen kom. Soms enkelingen, dan weer groepen. Er kan wel een tocht gereden worden. In een rustig tempo gaat het naar la Condamine. Niet te gek doen, er komt nog genoeg. Nu gaat het linksaf richting St. Anne. Na een korte aanloop begint het lekker te stijgen. Het is niet helemaal zo warm als gisteren. Toch kom ik goed in de zweet. Zal ook komen omdat de helling best stevig is. Na de aanloop van 2% gaat de helling direct naar 7%. Daarna komt er elke km een procentje bij. De vijfde km zit dus op 10%.

Dan kom ik op een splitsing; de doorgaande weg draait naar links en er loopt een klein weggetje rechtdoor. Volgens de GPS moet ik die hebben. Ik controleer het op de bordjes. Klopt: de Chapelle de Sainte Anne is rechtdoor. Het klimt nog een tijdje door, dan zwakt de helling af. Ik heb het kapelletje bereikt. Hier ga ik zitten om even iets te eten en om aan aantal foto’s te maken. Alleen de weg verder; dat is geen asfalt meer. Ik meende dat het 6 km onverhard zou zijn, het zijn er meer dan 11! Daar zit ik niet op te wachten. Zal ik maar omkeren. Nee, eerst maar eens door naar de Pont de Berard. Dan kan ik zien hoe het gaat. Het gaat redelijk. Het is wel links en rechts tussen de stenen en rotsblokjes door maneuvreren. Ik had op een redelijk gladde weg gehoopt, maar het stuitert soms alle kanten op. De Pont de Berard wordt bereikt en ik fiets direct door. Eerst is de weg nat en glibberig. Ik stuur zoveel mogelijk langs de droge kant. De helling trekt aan naar 9,5 %. Het is sturen van links naar rechts om de goede stukken van de weg te pakken. Het gaat, maar valt niet mee. Soms zitten er ijzeren goten diagonaal over de weg. Op ongunstige plekken zijn het stapjes van bijna 10 cm. Ik moet goed opletten hoe ik met het trappen uitkom zodat het achterwiel niet gaat slippen.
De onverharde weg de berg omhoog.
De onverharde weg de berg omhoog.
Wanneer de helling weer iets afvlakt, weet ik dat de Cabana de Parpaillon niet ver meer is. Toch maar tot daar doorfietsen. De temperatuur valt mee. Soms is er iets wind en ik fiets heel veel tussen de hoge dennen. Van het ene op het andere ogenblik zijn de bomen op en fiets ik een open ruimte in. Ik heb nu uitzicht op de hoge bergen. Ik passeer de Cabana, steek een bruggetje over en trap door. Alleen is de weg hier niet meer droog. Er stroomt water tussen de stenen door omlaag. Het zijn nog meer losse stenen hier. Het wordt lastiger een mooi stukje weg te vinden. Ik besluit te stoppen en de omgeving in me op te nemen. Ik heb nog 5 km gem. 9,1 % en een km 7% te gaan (ruim 500 HM). Dit allemaal langs een kale helling en, als de weg niet beter wordt, over een slechte weg. Dat kost misschien wel 1,5 uur om boven te komen. Dan rusten en dat hele stuk weer terug. Alleen staat de lucht me niet aan. Er beginnen grijze wolken te trekken. Iets verder naar het westen hangt er eentje waar wel regen uit zou kunnen komen. Nu wil je niet van ver boven de 2000 m omlaag komen in de regen. Het wegdek, zand en losse stenen, maakt het allemaal nog veel gevaarlijker. Ik maak een aantal foto’s film de omgeving. Daarna begin ik aan de afdaling naar St. Anne. Het afdalen gaat, zoals verwacht, niet snel.

 Daar loopt de weg richting Col de Parpaillon.
Daar loopt de weg richting Col de Parpaillon.
Op de splitsing besluit ik nog even naar het skistation te rijden. Dat is tegenwoordig immers een van 7 klimmen van “Le brevet de 7 Cols”. Volgens het boekje is dat omdat je met de fiets de Larche niet meer op mag. Boven is niets te zien, dus het gaat terug. In het dal is het vandaag lekker rijden. Tenminste, zolang de zon achter de wolken zit. Dan is het pas echt aangenaam met het tegenwindje. Met zon is het iets minder.

De fietsers van vanochtend zijn ook weer op de terugweg. Ik kom er menigeen tegen. Vlak voor Barcelonnette gaat het nog even door Faucon. Dat stukje binnendoor zat gisteren al in de route, maar toen heb ik het overgeslagen. Er komen nog steeds wolken over de berg en ze gaan iets meer dreigen. Uiteindelijk ben ik mooi op tijd terug en heb een dag lekker gefietst. Als ik om vier uur naar de supermarkt ga, is er meer dreiging in de lucht. Als ik terug loop begint het te onweren. Tegen de tijd dat ik dit zit te typen plenst het buiten. Had ik de gok genomen om toch de Parpaillon te bereiken, dan had ik daar vast wat van meegekregen.

Kleine colletjes
Vandaag pak ik het eerste deel de auto. Het is net te gek om dat rondje over die 3 colletjes vanuit Barcelonnette te rijden. Dan komen er nog 2 keer 21 km en een paar honderd hoogtemeters bij. Het geplande is al mooi genoeg. Ik rij dus met de auto naar Lauzet-d’Ubaye. Daar zet ik de auto op een parkeerplaats. De tocht begint met de 10 km lange klim naar St. Jean. Het gaat lekker omhoog. Twee km buiten Lauzet, bij de afslag naar het meer, ligt links van de weg een oude brug. De scherpe bocht over die brug is uit de weg gehaald. Ik zou er met de fiets overheen kunnen. Alleen zal dat vandaag niet lukken; er staat een helikopter op de brug. Dat moet natuurlijk vast gelegd worden. Ik rij rustig verder en hoor dan ‘goede morgen’ naast me. Ik wordt ingehaald door een Nederlander op een racefiets en hij herkent (uiteraard) de Rabokleding als zijnde ook een Nederlander. Even rijden we samen. Ik vertel waar het naar toe gaat. Hij maakt een rondje meer. Hij is ook al over de Vars rond geweest. Een flinke fietser. Hij heeft er hier al meer dan 700 km op zitten. Dan rijdt hij door. Ik peddel rustig verder en hou links aan de berg omhoog.
Wegwerkzaamheden voor de Clue de Verdaches.
Wegwerkzaamheden voor de Clue de Verdaches.
Het gaat lekker, dus Col de St. Jean wordt mooi op tijd bereikt. Na een foto begin ik aan de 8 km lange afdaling. Het rolt hier heerlijk naar beneden. Bij Selonnet buigt de D900 naar links. Ik ga mee. Hier kom ik vanmiddag weer omlaag. Nu begint de tweede klim van de dag, 9,3 km tot op de Col de Maure. Het klinkt erger dan het is. Totaal is er maar 260 hoogtemeters te gaan. Ik kan dus over het algemeen heerlijk doortrappen. Er zijn maar een paar punten, zoals bij Seyne, waar het even iets steiler is. Maar de helling is nooit meer dan 5% gemiddeld over een km.

Ik ben om kwart voor elf, dus mooi op tijd, op de Maure. Hier is het tijd om uitgebreid te eten. Na de rust begin ik aan een 12 km lange afdaling. Eerst over een mooie brede weg. Dit gaat vlot. Maar dan buigt de D900 naar links en ga ik rechtdoor de D900A omlaag. Het is nu opletten. De weg is veel smaller en bovendien bochtiger. Uiteraard betekent dit ook dat het veel mooier is. Als ik door twee auto’s ingehaald wordt, toetert er eentje. De voorste is een Nederlander. Ik zwaai even. Na 4 km zijn er wegwerkzaamheden. Er mag dan een bord staan dat het verkeer er wisselend langs mag; er staat zelfs een stoplicht. Maar rechtdoor de Clue de Verdaches in is onmogelijk; er staat een kraan midden op de weg. Hiermee is de hele weg geblokkeerd. Hier staat ook een Franse wielrenner. Of ik rechtdoor moet? Nee, rechtsaf omhoog naar de Fanget. Volgens hem is dat een zware klim. Volgens mij 8 km gem. 5%. Het gaat om de laatste km. Daar liggen twee haarspeldbochten en het stijgt er 16%. OK, dat is serieus, maar moet met deze fiets wel lukken. Daar is hij het mee eens.
Ik begin aan de klim. Direct staat er een bordje met routeinformatie: de eerste km is 9%. Door een smal dal gaat het omhoog. Ik kruis de Graves. Hier staat een Nederlandse auto langs de weg. Als ik het goed heb, de auto die toeterde. Aangezien het een mooi punt bij een watervalletje is, stop ik voor een foto. Hier staat een jong stel met twee kinderen bij de waterval, de Nederlanders van de auto.

Ik vervolg rustig de weg en wordt door bordjes op de hoogte gehouden van wat er komt. Eerst 2%, dan een paar keer 4 %. Dan weer eens 7%. Elke km een bordje met nog 6.5, 5.5, 4.5, 3.6, 2.6 km te gaan. Nu verwacht ik het bordje met een hoge waarde. Maar het bordje is er niet. De helling is ondertussen flink aangetrokken. Heel rustig peddelend op het laagste verzet gaat het omhoog. Dan zijn er inderdaad twee bochten. In de eerste bocht stop ik. Niet omdat het niet meer gaat, maar omdat ik vanuit de bocht zowel de weg omlaag als de weg omhoog op een foto kan krijgen. Als de foto lukt, is goed te zien hoe steil het is. Het laatste bordje is er wel weer; 0.6 km van 7%. Even volhouden en ik ben boven.

Even een heel steil stukje; meer dan 15%.
Even een heel steil stukje; meer dan 15%.
De afdaling is opletten. De weg is smal, bochtig en er ligt veel split. Op een uitzichtpunt stop ik bij een motorrijder met passagier. Ze beginnen in het Frans tegen me, maar ik ga snel over in het Duits. Ik had de kentekenplaat al gezien tijdens de klim. We hebben het even over de mooie omgeving en het weer. Ik leg het uitzicht vast en ga verder. Weer opletten op de snelheid. Ik heb geen zin onderuit te gaan. Kort voor Seyne komt de motor me achterop. We zwaaien even en ze rijden door. Ik kom nu weer op de weg van vanochtend. Dit keer gaat het omlaag naar Selonnet. Bij Selonnet stop ik. Ik heb de keuze: de route volgen naar beneden en dan over de grote weg langs het meer weer omhoog of rechts af en terug naar St. Jean en van daar af omlaag. De D900c omlaag is een klein weggetje. Ongetwijfeld ook een mooi weggetje. Maar de D900b langs het meer omhoog, 14 km klimmen, is een vrij drukke weg. Volgens de GPS is het nog 36 km terug. Via St Jean is het 20 km. Ik besluit de kortere weg te nemen. Scheelt toch zo een uur onderweg. Heerlijk rustig gaat het omhoog. Rechts bij de berg vliegt een hele zwerm parapentes. Ik kan ze bijna de gehele klim volgen. Na 8 km klimmen bereik ik voor de tweede keer de Col de St. Jean. De fiets wordt weer op de weg voor het bord geparkeerd, nu in de andere rijrichting.

Na een korte pauze begin ik aan de laatste 10 km omlaag. Weer een dag gehad en 4 collenbordjes op de foto. Bij terugkomst in Barcelonnette weet ik het hotel te vinden zonder omzwervingen door de plaats. Er is zelfs een parkeerplek voor het hotel beschikbaar. Sta ik de laatste drie dagen mooi dichtbij.

Col de Pontis
Het weer is heerlijk als ik start. Lekker fris en een beetje wind tegen. In een lekker tempo gaat het het dal omlaag. Alleen als het even iets omhoog gaat, valt het tempo direct weg. Ik heb duidelijk geen macht meer in de benen. Rustig op cadans gaat prima. Ik rij in één keer door tot vlak voor de afslag naar Ubaye. Hier leg ik het dal nog even vast. Nu gaat het omlaag naar het meer. Het is een aardige afdaling, maar daar moet ik vanmiddag wel weer tegen op. Bij de (verplaatste) begraafplaats van Ubaye stop ik even om iets te eten. Dat zal er in de volgende 5,3 km niet van komen. Dan is het klimmen geblazen. Volgens mijn informatie gemiddeld ongeveer 9%. Onderaan de klim staat een bordje: de eerste km is inderdaad gemiddeld 9%. Volgens de informatie van Ubaye Velo, is dit ook het gedeelte met de stukken van 17,8 en 12,9%. Er zitten inderdaad hele steile stukken tussen. Gelukkig zijn het geen lange stukken. Langzaam gaat het omhoog. Ik stop een paar keer voor een foto of een stukje video. Het valt me helemaal niet tegen. Ik heb nergens de klimijzers nodig die Gerrit me adviseerde. Er volgt nog een km met gemiddeld 9%. Dan komt de klapper, alhoewel, de steilste km is ‘slechts’ 11%. Deze wordt gevolgd door 10%. Zonder problemen bereik ik de top. Maar helaas. Hier staat geen collenbordje. Ik moet het doen met het bordje van de Trofee des 7 Cols d’Ubaye. Ach, ook die voldoet.

Col de Pontis (Ubaye, 1301 m).
Col de Pontis (Ubaye, 1301 m).

Na een korte rust gaat het omlaag. Na een kort stukje dalen is er het uitzichtpunt die op de kaart wordt voorspeld. Hier is ooit een stuk berg omlaag gegleden. Daardoor is er ruimte voor uitzicht. Nu gaat het verder omlaag over een hele steile weg. Ik controleer het eerste volgende bordje omhoog. Inderdaad aardig steil, die km was gemiddeld 12%. Via het dorpje Pontis en een stukje bos met mooie rotsformaties, gaat het naar de weg om het meer. Hier ga ik links langs het meer. De weg begint direct te stijgen. Weer merk ik een tekort aan macht. Dan maar lekker rustig omhoog. Links van de weg verschijnen de ‘Demoiselles coifees’. Hier is de helling door de eeuwen heen afgebrokkeld en omlaag gespoeld. Behalve op de plekken waar rotsblokken lagen. Daar staan nu nog punten met het rotsblok als kapje op de top. Dat het hier nog steeds hevig aan toe kan gaan, zie ik direct na de bocht. Hier is de rechter weghelft afgezet omdat deze compleet weggezakt/weggespoeld is.

Uitzicht op het stuwmeer waar de Ubaye in stroomt.
Uitzicht op het stuwmeer waar de Ubaye in stroomt.

Langzaam gaat het omhoog naar Sauze le Lac, op 1049 m. Hier stop ik bij het uitzichtpunt. Ik ben niet de enige wielrenner hier. Vervolgens komt de afdaling en gaat het terug naar het verdwenen dorp Ubaye. Het rondje is compleet, ik begin aan de lange weg terug. In een rustig gangetje gaat het eerst langs het meer en dan de helling omhoog naar de doorgaande weg. Al met al ben ik mooi op tijd. Er is misschien nog wel tijd om even rond te kijken. Na een stop bij Le Lauzet-Ubaye beginnen de laatste 20 km. Het enige waar ik niet blij mee ben, zijn de wolken die aan de zuidkant van het dal boven de bergen hangen. Ik vrees dat ik het niet droog houd vandaag. Naarmate de weg vordert, worden de wolken grimmiger. Dat gaat nooit goed. Ik probeer het tempo zo ver mogelijk op te voeren. Rechts hangt regen tegen de bergen. Het dal richting d’Allos/Cayolle is helemaal grijs. Links in het dal schijnt de zon. Als ik Les Thuiles maar weet te halen. Nu is het dal nog smal. Als hier een bui de berg afzakt, heb ik hem direct in de nek. Achter Les Thuiles wordt het dal breder. Daar heb ik misschien meer rugwind en kunnen de wolken boven het dal oplossen. Alleen hoor ik het in de verte al donderen. Met minder dan 7 km te gaan, trap ik zo hard mogelijk door. De grijze vegen lijken dichter bij te komen. Dan voel ik de eerste druppels. Doorfietsen, misschien red ik het net. Ik weet Barcelonnette droog te halen. Hier heeft het meer geregend. De weg is nat. Het is nog maar twee uur; ik ben vroeg binnen. Maar in ieder geval ben ik voor het onweer binnen. Nou ja, onweer? Daar komt helemaal niets van. Om half vijf begint het pas te regenen.

In de buurt van Barcelonnette
Vandaag kom ik helemaal niet ver uit de buurt van Barcelonnette. Alle klimmen beginnen in of bij Barcelonnette. De eerste klim is die naar Super Sauze. Het begint rustig te klimmen. Het duurt alleen een tijdje voordat ik lekker op gang kom. Maar goed, de klim begint dan ook al na 3 km fietsen. Ik ben nog maar even aan het klimmen of de gps wil me linksaf hebben. De weg loopt toch gewoon rechtdoor? Ik volg de doorgaande weg, de route zal zo wel terug komen op deze weg. Maar de gps-route blijft weg en le Sauze nadert snel. Rustig gaat het le Sauze door. Ik zie de gps-route weer en denk dat ik goed zit. Alleen slaat de route hier wel weer af. De terugweg zal wel ergens binnendoor zijn. Rustig fiets ik door over de gps-route. Na le Sauze is het niet zo ver naar Enchastrayes. Hier blijkt plots dat de gps-route van links omhoog komt. Had ik toch een heel eind binnendoor kunnen fietsen. Alleen binnendoor betekent ook vaak steiler. Niet getreurd, ik heb nu tenminste wel de officiële klim naar Super Sauze gevolgd. Net voor een grote bocht kom ik aan het kijken wat daar nu eigenlijk langs de weg ligt. Allemaal de zelfde vreemde dingen. Dan zie ik plots wat het zijn: het zijn stoeltjes van een skilift. Ook weer opgelost. Kan ik rustig doorfietsen naar Super Sauze.
Het duurde voor ik het door had; dit zijn liftstoeltjes.
Het duurde voor ik het door had; dit zijn liftstoeltjes.

Super Sauze is eigenlijk niets meer dan een aantal hotels en/of appartementsgebouwen voor het winterseizoen. Aan het begin van Super Sauze moet je rechts aanhouden. Dan rij je een rondje, om op de zelfde weg omlaag weer uit te komen. De verplichte foto wordt bij het plaatsnaambord gemaakt. Er is niets anders hier.

Nu begint de afdaling naar le Sauze. In le Sauze wordt ik dus linksaf gestuurd. Je zou er zo niet zo snel opkomen om deze weg te pakken. Het lijkt een parkeerplaats op te gaan. Het daalt een stukje en begint dan venijnig te klimmen tot aan het gehucht La Conchette. Daar begint het weer te dalen. Het is wel oppassen, want de weg is slecht. Het is deels verzakt, er zitten soms gaten in en er ligt grind. Maar het is wel een heel mooi weggetje. Kennelijk kennen meer fietsers het weggetje, want ik kom ook nog wielrenners tegen. Als ik bijna beneden ben, vermoed ik te weten waar ik uit kom. Bij de brug over de Ubaye richting Allos/Cayolle. Het klopt. Hier heb ik eergisteren staan kijken bij de voorziening om je ATB schoon te spuiten.

Ik draai nu direct de D902 op. De eerste 2 km is vrijwel vlak. Na de afslag naar de Cayolle trekt de helling aan. Nog eens twee km is er de afslag naar Pra-Loup. Over een brede weg met een aantal haarspelden gaat het omhoog. Regelmatig heb ik uitzicht over het dal van de Ubaye. Dan weer kijk ik richting bergen. Na een paar bochten bereik ik Pra-Loup 1500. Ik rij het dorp door en het is nog maar een eindje tot ik Pra-Loup 1600 bereik. Pra-Loup is beduidend groter dan Super Sauze. Hier is echt wat te doen. Ik volg de weg en rij rond Pra-Loup. De route stuurt me nog even tot het laatste gebouw aan een doodlopend weggetje. Dit is voor mij het keerpunt. Ik zoek een bankje en ga zitten eten. Nu volg ik de rondweg door Pra-Loup en kom weer aan de afdaling. Het gaat lekker snel omlaag over deze weg. De route voert me helemaal terug tot aan de brug bij Barcelonnette.
Dal van de Ubaye met het vliegveld van Barcelonnette.
Dal van de Ubaye met het vliegveld van Barcelonnette.

Voor de derde klim gaat het naar St. Pons en door tot een eindje achter het vliegveld. Hier draai ik rechts omhoog. Het is maar een eindje tot aan een splitsing. Volgens de beschrijving ga ik links naar Tato. Eigenlijk zou ik liever naar de stuwdam bij Le Treou rijden. Toch maar eens proberen. Het gaat langs de Riou Bourdoux omhoog. Opvallend is dat het water hier nogal grijs is. Het is niet mooi helder. Na 1,5 km komen er bochten in zicht. Helaas houdt hier ook het asfalt op. De weg is me te slecht om door te rijden. Dan toch maar weer terug en op naar Tato. Over een klein weggetje slingert het omhoog langs de berg. Ergens zal dat huis wel zichtbaar worden. Maar helaas. Ik bereik een splitsing en volgens de borden is Tato rechts, terwijl de gps me links wil hebben. Het wordt toch maar links naar Lauzeron. Het smalle weggetje gaat soms steil de berg op. Na 1 km klimmen bereik ik het einde van de verharding. Het huis dat hier staat zal Lauzeron zijn. Ik maak een foto en keer om. Terug bij de splitsing besluit ik alsnog Tato op te zoeken. Op deze route krijg ik een paar keer een groots uitzicht over het dal. Op een gegeven ogenblik lijk ik zelfs op de zelfde hoogte te zitten als Pra-Loup aan de overkant van het dal. Achter een paar huizen wordt plots het asfalt veel beter. Wel vreemd, zo hoog op de berg. Ik klim nog een eind door en zie dan rechts een groot nieuw huis staan. Er volgt nog een bocht en ik sta bij de inrit van het huis. Hier is de laatste paar jaar heel veel aan verbouwd en bijgebouwd. Het ziet er allemaal nieuw uit. Dat heeft een paar cent gekost. Daarom zal de weg ook vernieuwd zijn. Uiteindelijk is het natuurlijk de vraag of dit Tato is, of dat Tato al voor het begin van het nieuwe asfalt lag.

In ieder geval gaat het van hier af weer omlaag. Zo ver is het niet meer. Ik slinger rustig omlaag, pak de weg langs het vliegveld en rij terug naar Barcelonnette.

Col de Cayolle
Vandaag de mooiste rit in de buurt waar ik het langst niet ben geweest; de Col de Cayolle. De Cayolle is net iets hoger en langer dan de Allos. Bovendien is het een hele mooie route door de Gorges du Bachelard. Het is alleen wel heel lang geleden dat we hier zijn geweest. Dat was, om precies te zijn, in september 1991, dus 27 jaar geleden. Het is nog maar de vraag of ik me nog iets herinner van deze klim.

De weg is in ieder geval makkelijk te vinden. Daar hoeft de gps eigenlijk helemaal niet voor aan. Het is gewoon vanaf het hotel richting rivier en dan de borden volgen. Het eerste deel loopt amper op. De klim begint pas na de splitsing met de Col d’Allos. Maar ook dan is de helling nog maar 2%. Er kan dus lekker doorgetrapt worden. Op het eerste deel haal ik ook de eerste twee fietsers in. Bijzonder, maar waar. Het is heerlijk weer in dit deel van het dal. Ik rij grote delen in de schaduw van de berg. De weg loopt immers naar het zuiden. Langzaam maar zeker wordt het dal smaller en de weg iets steiler. Dan steek ik een brug over. De brug is niet veel meer dan 20 m en loopt schuin van rotswand naar rotswand. Dat geeft aan hoe smal het dal hier is. Doordat de weg op dit punt ook naar het oosten draait, kom ik in de zon te rijden. Daar is het direct warmer. Het gaat langzaam omhoog door het smalle dal. Aan de linker kant een steile rotswand, rechts de rivier. Soms zit er een vangrail tussen, dan een afscheiding van houten palen, dan weer een laag muurtje. Bovendien zijn er nog hele stukken waar je zonder waarschuwing omlaag kunt duiken. Trouwens, een vangrail lijkt mooi, maar het zwaartepunt van een fietser zit toch echt ruim boven de vangrail. Zou je deze raken, dan duikel je er zo overheen.

Gorges de Bachelard; de weg naar de Cayolle.
Gorges de Bachelard; de weg naar de Cayolle.
Dan heb ik het smalle deel gehad en opent de omgeving zich. Ik heb Le Villard d’Abas bereikt. Nog even stijgt het met 6% op een km, dan zwakt de helling iets af. Ik passeer nu in een mooi tempo een aantal kleine dorpjes. Even is het zelfs zo goed als vlak. Voor me veranderen de bergen. Het dal rechtdoor is duidelijk geen optie. Hier buigt straks de weg weer naar het zuiden. Nog steeds zit ik op punten te wachten die ik me duidelijk herinner. Ze blijven uit.

Er wordt een kudde schapen omhoog gedreven.
Er wordt een kudde schapen omhoog gedreven.
De rivier wordt weer gekruist en nu volgen een tweetal bochten. Door een heel ander dal gaat het verder omhoog. De temperatuur valt mee. Zo nu en dan drijven er zelfs wolken voor de zon langs. Is dat het geval, dan kan het zelfs fris aanvoelen. Voor me trekt dat dal dicht. Hier gaat het met een stel bochten langs de rotsen omhoog. Ik zie dat ik in ieder geval het water twee keer moet oversteken. Direct aan het begin van de bochten ligt een brug en een eindje verder ligt er nog een. Vanaf de eerste brug zet ik de tweede op de foto. Slingerend gaat het omhoog. Vaag komen er herinneringen boven. Na de serie bochten komt er nog een redelijk recht stukje. Hier passeer ik de eerste sneeuwresten dicht langs de weg. De allereerste sneeuw aan de overkant van de rivier lag trouwens al ter hoogte van de dorpjes. Cabana de Cayolle verschijnt langs de weg; het is nu niet ver meer. Er zit iets op de weg. Ik stop, bel een keer en pak de camera. Het duurt even voordat de marmot me ziet en het gras in rent. Als hij blijft zitten, zet ik hem op de foto. Daar zit trouwens nog een marmot. Daarna is de top zo bereikt. De 4 wielrenners die bij de paal staan maken ruimte. Dan zet ik de fiets er voor een maak een foto. Iets verder ga ik naast de weg op een rotsblok zitten om te eten. Aan de overzijde van de weg ligt een klein meertje en sneeuw aan de kant. Kennelijk een vast punt om te bezoeken.

Na uitgebreid gegeten te hebben, begin ik aan de afdaling. Op verschillende plekken stop ik om foto’s te maken. Bij het steile stukje komen weer vage herinneringen boven. Het gaat van stop naar stop omlaag. Op de weg omhoog heb ik maar een paar fietsers gezien, nu komen ze achter elkaar omhoog.

Even heb ik nog oponthoud. Een boer drijft een kudde schapen omhoog. Maar ze hebben niet echt zin. Vooral als ik ook nog eens ga sta filmen. Ze zijn bijna niet aan mij voorbij te drijven. Rustig gaat het verder omlaag. Ik fiets een stukje de Ubaye omhoog en toer dan het dorp in. Het zit er op hier. Morgen naar de Vogezen voor nog 3 ritjes.

Col de la Schlucht
Het gaat vanaf het hotel naar het centrum. Daar gaat het langs het meer omhoog. Volgens de kaart ligt daar de Col de Haute de la Gôte. Er ligt daar inderdaad een topje, maar er staat geen bord. Dan maar het hotel op de foto. De afdaling gaat snel weer over in klimmen. Deze klim is al weer iets langer. Maar ook hier wordt de Col de Grosse Pierre zonder problemen bereikt. Het is nog vroeg en ik rij regelmatig in de schaduw. De volgende afdaling is al weer serieuzer. Het gaat omlaag naar La Bresse. De volgende klim moet echt worden. Vanuit La Bresse gaat het richting Le Markstein en de Route des Crêtes. Om aan de Crête te komen, moet er toch echt geklommen worden. Het gaat best aardig. Als ik La Bresse uit ben, zie ik een fietser voor me. Langzaam haal ik hem in. Het zou een Nederlander of een Belg kunnen zijn gezien de tekst op zijn shirt. Ik rij hem voorbij en zeg “Goede morgen”. Er komt Goede morgen terug. Langzaam rij ik bij hem weg. Een stukje achter een haarspeld ga ik links de “Route d’American” op. Dit weggetje brengt me in 4 km omhoog naar de Route des Crêtes. Na ongeveer 1,5 km komt de Belg bij me rijden. Samen rijden we op. Hij woont in de buurt en probeert 2 keer 50 km in de week te fietsen. Langzaam naderen we de Crêtes. Daar gaat hij links naar de Col de la Schlucht en ik ga rechts de Route des Crêtes op. Het is hier fantastisch fietsen. Na een klein stukje ga ik langs de weg zitten eten. Hier heb ik een heel mooi uitzicht en een rotsblok om op te zitten.
Route du Cretes; beneden ligt Lac de Kruth-Wildenstein.
Route du Cretes; beneden ligt Lac de Kruth-Wildenstein.

In het vervolg van de Route des Crêtes passeer ik de Col du Herrenberg en de Col du Hahntenbrunnen. Twee van die meeneem colletjes. Uiteraard wel even een foto gemaakt. Dan draai ik links richting Munster. Bij Le Breitfirst wordt mijn aandacht getrokken door een monumentje langs de weg. Hier heeft een begraafplaatsje gelegen met 11 gesneuvelden van de eerste Wereldoorlog. Dit is tijdens de Tweede Wereldoorlog vernield. Later is het monument hersteld. Kort omlaag en dan weer omhoog naar de Col du Platzerwasel. Vanaf deze kant stelt het niet veel voor. Gezien de afdaling die ik nu krijg, is het vanaf de kant van Munster wel een echte klim. Vanaf Sondernach is de vaart er uit. Rustig gaat het door het dal omhoog. Aan het eind van een klein klimmetje bij Metzeral, zie ik rechts een fietspad naar Munster. Ik verlaat de route en rij over een smal weggetje naar Breitenbach. Daar besluit ik toch de doorgaande weg weer aan te houden. Het is nu nog maar een eindje tot Munster.

Ruïnes van het voormalige Benedictijnenklooster Saint-Grégoire, op de achtergrond ooievaarsnesten.
Ruïnes van het voormalige Benedictijnenklooster Saint-Grégoire, op de achtergrond ooievaarsnesten.
Hier stop ik bij een park om te lunchen. Het is net 12 uur. Ik ben al lekker opgeschoten nog iets van 37 km te gaan. Na de lunch gaat het Munster in. Ik moet al links, maar besluit toch even om de kerk te rijden. Bij een parkeerplaats zie ik iets van een ruïne. Even op de foto zetten. Terwijl ik daar sta zie ik ooievaarsnest. Die moet ook op de foto. Dan zie ik er nog één, en nog één, en nog vijf. Totaal kunnen er wel 10 tot 12 nesten zitten. En dat midden in de stad. Het verklaart wel de ooievaars die ik langs de weg heb zie staan. Als ik onder een oude poort doorloop en het plein wil filmen, komen er twee auto’s met Nederlands kenteken de parkeerplaats oprijden. Even het Raboshirtje recht trekken. Ik kom met het eerste stel aan de praat en adviseer ook even aan de andere kant te kijken. Dat geldt ook voor het tweede stel. Deze man heeft wel een heel grote lens op zijn camera. Daarna begin ik aan de 18 km lange klim naar de Col de la Schlucht. Het gaat minder snel dan vanochtend. Maar goed, het is warmer en ik rij het eerste deel heel veel in de zon. De km’s op de paaltjes tellen af naar de col. Zo weet je altijd hoe ver het nog is. Eerst passeer ik de afslag naar de Collet du Linge en daarna de afslag naar de Col du Wettstein. Beide bekend uit de 100 Cols. Daarna heb ik nog een keer uitzicht over het dal. Nu gaat het het bos in. Nog steeds mis ik dat grote donkere gat dat ik me herinner uit de 100 Cols. Bocht na bocht gaat het langzaam omhoog. Pas na de laatste haarspeld krijg ik dat grote gat te zien. Alleen is het niet zo indrukwekkend als toen. Dat zal aan het weer liggen. Net voor de tunnel stop ik om te filmen. Dan is het nog maar een klein stukje tot aan het bord van de col. Weer eentje, nu zelfs een echte, gescoord. Als ik boven rij wordt ik ingehaald door het Nederlandse stel dat ik in Munster sprak. Op de col is niets te zien, dus snel verder. Na 2 km dalen gaat het rechts een zijweg ik. Tussen de bomen door zie ik een indrukwekkend dal.

Dan komt de laatste klim van de dag. Ik zou over de Col du Surceneux moeten komen. Ik kom het gehucht binnen en rij door een vrijwel vlak en nat gebied. Later passeer ik weer een bord, nu aan de andere kant van de weg. Dan dat bord maar op de foto. Nu is het nog 6 km dalen naar het eindpunt. Het eindpunt van de route is niet ver van het hotel. Precies op de plek waar de weg er uit ligt. Nu even langs de Super U, rechtsaf en ik ben bij het hotel.

Terug op de kamer ligt er een briefje op het nachtkastje: morgen tussen 8:30 en 12:00 is er geen water. Geen probleem, dan ben ik al weg. Even later is er wel een probleem; er is nu ook geen water. Om kwart voor 6 nog steeds geen water op de tweede verdieping. Gelukkig had ik nog een reserve bidon met water in de bagage zitten.

Vier Cols
Het is vanochtend een wonder; het is bewolkt. Het is de eerste keer deze vakantie dat ik niet in het zonnetje op de fiets stap. Doordat de weg er vlak achter het hotel uit ligt, begint het met een klein ommetje. Dan pak ik de weg richting de Schlucht. Het gaat niet die berg op, achter Xonrupt-Longemer hou ik rechts aan langs het Lac de Longemers. Helaas staan er te veel bomen om het meer op de film vast te leggen. Een foto van het kapelletje aan de overkant lukt wel. Na het meertje klimt het weer. Niet lang, want er volgt nog een meertje. Dan gaat het weer omhoog. Ik hou nog een keer rechts aan en ik bereik de eerste col van de dag al; de Col des Feignes.

Nu gaat het omlaag richting La Bresse. Hier zal ik een stukje bekende weg beklimmen. Daar was ik gisteren ook. Waar de gps nog al eens een binnenweggetje weet, laat hij deze nu schieten. Ik daal dus nog even door tot het punt waar ik gisteren ook omhoog draaide. Het eerste deel van de klim ken ik al. Het gedeelte waar het asfalt is af gefreesd gaat nog steeds even beroerd. De gladde stukken gaan makkelijker. Dit keer rij ik de afslag naar de Route des Crêtes voorbij en ga voor de col die even verderop ligt. Dat is nog geen km. Waar ze gisteren op dat stukje met de weg bezig waren, zijn ze nu op de col aan het werk. Ik kan nog net een foto maken van het collenbord (Col de Bramont) dat door een graafmachine uit de grond wordt getild. Hadden ze niet 5 minuutjes kunnen wachten? Col du Bramont (956 m).
Col du Bramont (956 m).
Ik parkeer de fiets nog wel zo dat ik deze samen met het liggende bord op de foto kan krijgen. Weer eens een alternatieve foto van een collenbord. Nu volgt een schitterende afdaling. Volgens de kaart zijn het een heel stel haarspelden, in werkelijkheid zijn het er nog meer. Alleen het uitzicht op het dal valt tegen. Daarvoor staat er te veel hoge dennen langs de weg. Doordat er geen zon is, is het best fris in de afdaling. Het gaat nog net in het shirtje met korte nauw. De afdaling eindigt in Wildenstein. Dit is het dorp dat ik gisteren, en jaren terug, vanaf de Route des Crêtes heb gefilmd/gefotografeerd. Vanaf het pleintje maak ik een foto van de berg schuin achter me. Op de foto staat het punt waar ik gisteren heb zitten eten. Dat punt ligt dan wel meer dan 500 m hoger. Na het dorp volgt het bekende meertje. Hier stop ik bij een bankje om iets te eten. Van boven zien zowel het dorp als het meertje er toch eigenlijk mooier uit.

Nu is het nog een stukje dalen tot in Kruth en de volgende klim van 7 km begint. Tot aan het kapelletje van St. Nicolas gaat het recht langs de berg. Daarna beginnen een aantal haarspelden. Het gaat rustig omhoog. Het is de hele dag al een komen en gaan van de zon. Het is dan ook lang niet zo warm als de afgelopen dagen. De gps geeft maar 24 graden aan. Ik tel de km’s tot aan de Col d’Oderen. Al weer eentje gehaald.
Kerk van Travexin; boomstammen als ligstoelen.
Kerk van Travexin; boomstammen als ligstoelen.

Waar er eerst dunne wolken aan de lucht zaten, beginnen ze nu toch echt wel dichter en donkerder te worden. En zit ik aan de verkeerde, de natte, kant van de Vogezen. Er zou dus zo maar een bui over kunnen komen. Voor het zelfde geld blijft het droog. Het is op de col best fris, dus ik trek een jasje aan voor de afdaling. Het eerste deel gaat het snel omlaag, dan komen de dorpjes en gaat het minder snel. Bij Cornimont zit ik op het laagste punt van de dag. Nu begint een lange klim. Eerst gaat het 8 km door het dal naar La Bresse. Daar begint de echte klim. Langzaam gaat het langs de berg omhoog. Waar op de vorige col de lucht nog helemaal dicht zat, komt nu de zon er soms weer door. Zo zie je, het kan verkeren. Op het ogenblik dat ik om een punt kom, weet ik dat ik bijna boven ben. Voor me zie ik het skistation net voor de top. Daar even langs en de vierde col van de dag, de Col Du Grasse Pierre, is bedwongen.

Nu is het nog bijna alleen maar afdalen naar Gerardmer. Er zit alleen nog dat hobbeltje over die col die wel op de kaart staat, maar geen bordje heeft, de Col de la Haute de la Gote. Ik heb hem voor vandaag dan ook maar niet meegeteld. Nog even en ik ben bij het meer bij Gerardmer.

Laatste rit
Vanochtend gaat het rolluik open en ik mis de toppen van de bergen. De afgelopen dagen waren deze steeds zichtbaar, maar nu zijn ze verborgen in de wolken. Niet alleen de top van 1100 m waar de skilift omhoog gaat, maar ook de lagere berg hier dichter bij. Dat is weer eens iets anders. Het is bewolkt en de wolken hangen niet al te hoog. Als ik naar buiten loop, is het net alsof het zelfs een beetje stuift. Op de auto liggen een paar druppels. Ik hang de tassen aan de fiets en trek het jasje aan en zet de helm op. Het is nog fris. Ik heb op het ogenblik eigenlijk geen idee welke kant het op gaat. Ik weet dat ik een rondje naar het westen heb uitgezet, maar weet niet meer hoe die loopt. Ik verwacht linksaf te moeten, maar kom er achter dat ik rechts moet. Dus toch andersom dan verwacht. Het gaat het centrum in en dan langs het meer. Ik verwacht helemaal langs het meer te rijden, maar moet halverwege al linksaf. Het bord dat richting Col de Sapois verwijst, zegt al genoeg. Het wordt een aantal km zweten met het jasje en de helm. Er zitten best steile stukken in. Uiteraard wordt de col bereikt.

De afdaling over het smalle weggetje is best lang. Beneden pak ik de kaart om te kijken waar ik nu zit en hoe het verder zal gaan. Ik zit vlak voor Vagney. Aan de overkant van het dorp zie ik een klein colletje. Zal ik of zal ik niet. Het wordt dus wel. Ik verlaat de gps-route en rij op basis van de kaart van de gps het dorp door naar het colletje. Het is een korte, redelijk steile klim. Op de top, in het bos, staat geen bord. Ik loop rond en zie toch nog een houten bordje met de naam staan. Al weer eentje gehaald. Hier gaat het over een nog smaller weggetje steil omlaag. Beneden ga ik rechts, terug richting route. Ik zie een fietspad en duik binnendoor het fietspad op. Ik kijk links en rechts; dit is duidelijk een voormalig spoorlijntje. Ik kom niet op de route, maar kruis deze. Over de oude weg door het dal en langs de dorpjes gaat het verder. Een enkele keer denkt de gps op de route te zitten, terwijl ik er naast rij. Achter St. Etienne stop ik om te eten. Ik kijk op de gps. Nog 74 km te gaan en al 30 gehad. Wel vreemd, heb ik dan al zoveel omgereden. Dat kan haast niet. Maar goed, het zal wel.
Een boom vol met fietshelmen en fietsen.
Een boom vol met fietshelmen en fietsen.

Golvend gaat het tegen de wind in langs de Moselle. Het is vandaag aangenaam fietsen met de bewolking. Het jasje is al een tijdje uit. Soms rij ik met petje, dan weer zonder. Bij Jarmehni steek ik een stukje binnendoor. Het is eenrichting met uitzondering van bewoners. Ach, als bewoners dat mogen, dan mag een fietser dat ook. Nu rij ik langs de Vologne de rivier omhoog. Na 4 km bereik Docelles. Hier ben ik weer eigenwijs en rij door het dorp, in plaats van om het dorp. Dit keer gaat het mis. De weggetjes worden steeds smaller, maar ik kom niet bij de doorgaande weg. Dan het spoorlijntje over. Nu is zelfs het asfalt op. Ik zoom in op de gps en zie dat dit hooguit 120 m is. Gewoon verder. Onder de doorgaande weg door en over de heuvel achter een bedrijfsterrein. Bij een rotonde bereik ik de route weer. Rustig gaat het verder richting Bruyeres. In een dorpje zijn wegwerkzaamheden. Net daarvoor wordt ik gepasseerd door een auto met Nederlands kenteken. Bij het tweede stoplicht rij ik langs de auto’s tot de voorste auto. Ik zeg de Nederlanders goedendag. Nu merk ik ook dat ik volgens de gps nog veel verder moet. Was het met de middag nog 74 km, nu is het 85 km. Dan de route maar eens opnieuw laden. Nu hoef ik nog maar 25 km. Dat komt dichter in de buurt.

Na een stop bij Bruyeres gaat het richting Gerardmer. Het gaat nog steeds het dal van de Vologne omhoog. Alleen rij ik niet meer naar het noordoosten, maar nu naar het zuidoosten. Langzaam gaat het door een breed dal omhoog. Ik zie de restanten van een oud spoorlijntje. Daar is dit inderdaad een ideaal dal voor. Als het dal smaller wordt, moet het spoorlijntje aan de andere kant van het water liggen. In zie hem inderdaad liggen. Nog even en ik ben terug in Gerardmer. Ik ben mooi op tijd en besluit nog even om het meer te rijden. Dan zit het er op voor dit jaar.

 

(C) 2019, Henk Luggenhorst